Maak hieronder een keuze uit de verschillende onderwerpen om een selectie van artikelen uit jouw
interessegebied te krijgen.
De discussie kan worden gesloten. Een quotum is niet de manier om meer vrouwen in de top te krijgen. Dat zegt organisatiepsychologe Naomi Ellemers, de beste wetenschapper van Nederland.
‘Een quotum geeft een gevoel van dwang. En zodra je mensen dwingt, gaan ze zich verzetten.’De portier van het grote gele Leidse universiteitsgebouw komt overeind in zijn stoel. ‘Kom je voor Naomi Ellemers? Voor mevrouw... euh, professor Ellemers? Toe maar...’ Inderdaad, toe maar, vandaag ontvangt prof. dr. Ellemers de Spinozapremie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Een prijs van 2,5 miljoen euro, de grootste wetenschappelijke prijs van Nederland, voor haar onderzoek naar het gedrag van groepen op de werkvloer. ‘Dat intrigeert me. Al meer dan twintig jaar’, zegt Ellemers in haar werkkamer.
Ze legt haar handen met perfect gelakte nagels op tafel. ‘Je kunt iedereen wel als individu bekijken maar zo werkt het niet. Mensen worden vaak gezien als representanten van een bepaalde groep, bijvoorbeeld als werkende moeder of allochtoon. Hierdoor hebben ze een lagere status in de ogen van anderen. Mensen kunnen zelf allerlei ambities of capaciteiten hebben, maar als ze door de buitenwereld in eerste plaats worden gezien als lid van een groep, wat doet dat dan met die persoonlijke kwaliteiten en ambities?’
Het onderwerp lijkt bijna niet verder van hoogleraar psychologie Ellemers (47) af te kunnen staan. Oké, ze is een vrouw. Oké, ze is een werkende moeder (ze heeft twee zoons), maar ze kreeg ook zo’n beetje elke prijs die er op wetenschappelijk gebied te krijgen is. Zo was zij de eerste die de Merianprijs voor vrouwen in de wetenschap in ontvangst mocht nemen, een onderscheiding van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Bovendien behoort ze, volgens de NWO, tot de tien beste wetenschappers in haar vakgebied wereldwijd. Wat wél overeenkomt: ze ziet zichzelf maar wat graag als onderdeel van een groep, haar eigen onderzoeksgroep.
‘Pff, ik word hier altijd een beetje verlegen van’, lacht ze. Dan, serieus: ‘Toevallig ben ik nou degene die in the picture staat, maar deze hele gang hier zit vol mensen die allemaal met dit onderzoek bezig zijn. Het kost dan ook ontzettend veel werk voordat je resultaten hebt waarmee je naar buiten durft te gaan.’
Wij vrouwen hebben het dus maar zwaar?
‘Nou, we hebben ontdekt dat vrouwen in een groep met mannen minder goed presteren dan wanneer vrouwen in een groep met andere vrouwen werken. Echt waar. Als vrouwen samenwerken met alleen maar mannen hebben zij het gevoel dat zij niet worden gewaardeerd. Als daar verder niets over wordt gezegd dan denken vrouwen: zij vinden andere dingen belangrijker, dus mijn inbreng wordt hier niet op prijs gesteld. Dat vinden zij bedreigend. Daardoor gaan ze ook op een andere manier werken: ze zijn afwachtender, durven zelf niet met ideeën te komen. Hierdoor presteren ze minder goed waardoor anderen ook gaan denken: die heeft niets te melden dus de volgende keer vragen we haar niet meer.’
Dus mannen zo ver mogelijk uit de buurt van vrouwen houden?
Ze haalt haar schouders op. ‘Nee, de oplossing is eigenlijk heel simpel. Maar ja, je moet het wél even weten. Het helpt namelijk wanneer de mannen die in een team zitten expliciet zeggen dat haar capaciteiten belangrijk en noodzakelijk zijn om het werk goed te kunnen doen. Alleen dát is al voldoende voor een vrouw om te denken dat ze wel wat te melden heeft. Van die zekerheid die ze daardoor krijgen, gaan ze weer beter presteren.’
Dat is wel erg simpel.
‘Nou nee. In het dagelijks leven staan mensen hier helemaal niet bij stil en trekken hun eigen conclusies. Dat is verraderlijk. Onze adviezen zijn misschien wel eenvoudig, de uitvoering is dat zeker niet. Vaak omdat het strijdig is met hoe mensen gewend zijn te werken en er dus écht wat moet veranderen. Ik hamer er ook altijd op: hoe belangrijk vind je nou écht dat er meer vrouwen of allochtonen bij jullie komen werken? Als je er als werkgever niet écht toe bereid bent om er andere dingen voor op te offeren, moet je het ook niet willen. Het is ook lang niet altijd nodig. Zo zou elk bedrijf creatief moeten zijn, puur omdat ‘iedereen dat ook doet’. Maar je moet niet als een kip zonder kop met alle modes meelopen. Je moet goed nadenken: wat is belangrijk voor dit bedrijf, voor mijn mensen en dáár moet je voor gaan.’
Bedrijven kloppen regelmatig bij de vakgroep van Ellemers aan met vragen. ‘Waarom stromen er zo weinig vrouwen door naar de top?’ ‘Hoe zorg ik dat ik meer allochtonen aantrek?’ Prima, vindt Ellemers, ze wil uiteindelijk toch kennis verwerven waar mensen wat aan hebben. Maar dat is niet de enige reden dat de geleerde wereld met haar wegloopt. Het komt ook omdat ze haar onderzoek in de organisatiepraktijk combineert met experimentele onderzoeken in het laboratorium. Daar zoekt ze naar de onderliggende psychologische processen bij concrete werksituaties.
‘In het lab spelen we bepaalde werksituaties na. Zo kunnen we daar systematisch vergelijken hoe de samenwerking verloopt tussen iemand die zegt liever niet samen te werken met iemand met een hoofddoek en iemand die zegt dat geen probleem te vinden. Heeft dat invloed op de samenwerking? Dat kan in werkelijkheid niet omdat mensen die er geen zin in hebben, niet zo snel zo’n samenwerking aangaan.’ Met het prijzengeld gaat Ellemers echter letterlijk ‘in de hersenen kijken’. ‘We willen op dat niveau kijken omdat mensen niet altijd kunnen of willen vertellen wat er precies in hun omgaat. Als je zegt dat je liever niet met vrouwen werkt, is dat toch wel een beetje dubieus.’
Is dát de reden dat er zo weinig vrouwen in de top belanden?
‘Daar speelt iets anders mee. We hebben allemaal het idee dat we in een rechtvaardige wereld leven. Zowel vrouwen die wat willen als mannen die op een goede plek zitten, gaan ervan uit: als je je best maar doet, dan komt het wel goed. Het is natuurlijk ook heel deprimerend om te denken: ik heb alle talent van de wereld maar omdat ik een vrouw ben, wordt het nooit wat. Mannen die aan de top staan vinden het op hun beurt weer naar om te bedenken dat ze alleen maar daar staan omdat ze man zijn. Beide partijen hebben er belang bij om te denken als je maar je best doet, dan komt het wel goed. Daarom kijken we graag naar de goede voorbeelden – niet naar de werkelijke getallen. Naar die ene vrouw die wel in de top zit of naar die hordes vrouwen in lagere functies die ‘vast wel doorstromen’. Zo houden we de illusie in stand dat iedereen gelijke kansen heeft.’
En u helpt mensen graag uit die droom?
‘Nou graag... Uit onze experimenten weet ik dat als mensen gediscrimineerd worden, zelfs al is er bewijs, men er nog niet aan wil. Men wil niet zien dat het eigenlijk oneerlijk is. Zien ze het wel, dan worden ze er doodongelukkig van. Maar ze moeten het wel zien, voordat ze hun best gaan doen om die discriminatie te doorbreken. Dus je moet misschien eerst wel een beetje ongelukkig zijn om op de lange termijn te beseffen dat het anders moet. Maar nogmaals, dat werkt alleen als bedrijven hier écht werk van willen maken. Alleen al als mannen zeggen: goh, misschien hebben vrouwen hier geen gelijke kansen, dát blijkt al ontzettend effectief te zijn. Vrouwen beseffen dan dat er omstandigheden zijn die het voor hen moeilijker maken, en dat het niet alleen aan hen ligt. Als je serieus meer vrouwen in je top wil, moet je eens kijken of leidinggeven ook in deeltijd mogelijk is. Of ga eens onderzoeken of vrouwen fulltime willen blijven werken als ze dat ook gedeeltelijk thuis kunnen doen. Of ga eens kijken in de leeftijdsgroep waar je normaal gesproken niet zoekt naar high potentials – 35 of 40 plus – voor een managementprogramma.’
Dus geen quotum?
‘Nee, een quotum geeft altijd een gevoel van dwang. En zodra je mensen dwingt, gaan ze zich verzetten. Dus dat werkt niet, nee. Het bijhouden van streefcijfers is wel goed. Puur om te zien hoeveel van de vrouwelijke junioren er binnen tien jaar zijn doorgegroeid. En als dit er naar je eigen reële doelstellingen te weinig zijn, moet je je toch eens afvragen hoe dit komt.’
Doordat vrouwen niet mee bepalen wie er worden aangenomen?
‘Met die reden moet je oppassen. Vaak denkt men: als er één vrouw zit, dan volgt de rest vanzelf. Maar dát werkt juist averechts. Nou is het niet zo dat je vanzelf een kreng wordt als jij als enige op een leidinggevende functie bent gekomen. Dat komt doordat deze vrouwen, die in een uitzonderingspositie zitten en het idee hebben dat het een nadeel is een vrouw te zijn, zich een soort overlevingsstrategie eigen hebben gemaakt. Deze houdt in dat ze zichzelf mannelijke eigenschappen toe-eigenen en geneigd zijn extra streng te zijn tegen andere vrouwen. Mensen zullen echter niet snel zeggen dat hier sprake is van discriminatie, het is immers een vrouw. Zodra er meer vrouwen komen, verdwijnt dat effect. Zeker als je – op wat voor manier dan ook – boven 30 procent vrouwen komt. Het is de wet van de grote getallen.’
Op die ‘wet’ beroept Ellemers zich regelmatig. ‘Het is mooi dat mijn onderzoeksonderwerpen veel mensen aanspreken, maar het maakt ook dat veel mensen er een mening over hebben. Dat vind ik wel eens moeilijk aan de media. Dan word ik opgeroepen als deskundige die de stand van zaken komt vertellen en één werknemer die komt vertellen dat dat helemaal niet klopt. Dat wordt als even zwaar neergezet, één-één denken mensen dan. Maar die gegevens van twintig jaar onderzoek wegen toch wat zwaarder dan één iemand die iets anders heeft meegemaakt.’ Het is even stil. ‘Misschien helpen die onderscheidingen wel. Mensen zijn dan toch eerder geneigd je te geloven.
Bron: De Pers
Terug naar overzicht